Wushu‎ > ‎

Shuaijiao-Shoubo


Introductie

Shuai Jiao of Chinees worstelen is de eerste gevechtskunst die in China beoefend werd ten tijde van de « Gele Keizer » 3000 jaar vc. Shuai-Jiao was eerst en vooral gespecialiseerd in worpen en lijf aan lijf gevechten en werd gebruikt als training voor het leger. Pas later werden stoten en trappen toegevoegd.

De essentie van het beoefenen van shuai-jiao kan samengevat worden door de volgende spreekwijze : "op lange afstand slaat men, op korte afstand werpt men’. Het gaat hier dus om een vechtstrategie die erin bestaat om de ‘afstand te overbruggen’ om te kunnen winnen door middel van lijf aan lijf technieken en worpen.

De training legt eerder de nadruk op een soepele en snelle uitvoering van de technieken dan op het gebruik van puur fysieke kracht. De uitvoering dient te gebeuren met estetische bewegingen en met respect voor de tegenstander. Het beoefenen van shuai-jiao sluit aggressiviteit volledig uit en draagt daardoor dus bij tot de interne beheersing.

Het toepassen van shuai-jiao technieken in een gevecht met stoten en trappen ontwikkelde zich in de nieuwe discipline ‘Shou Bo’. Shou bo kan de synthese genoemd worden van de shuai-jiao technieken met de traditionele stroot- en traptechnieken.

Legende en historiek

Shuai-Jiao of Chinees worstelen is de oudste gevechtskunst die in de Chinese geschiedenis kan teruggevonden worden. Het is de krijgskunst van de werptechnieken en de lijf-aan-lijf gevechten. In dit eerste artikel wordt de legende en historiek van deze discipline toegelicht. In latere artikels zullen andere aspecten aan bod komen.

Ruim 5000 jaar geleden leefden er twee stammen aan de Gele Rivier in China. De ene stam werd geleid door Huang Di (beter gekend als de "Gele Keizer") en de andere door Zhi You. De krijgers van de Zhi You stam waren vooral te herkennen aan hun helm met horens, die ze in gevechten gebruikten om de tegenstander aan te vallen. Huang Di leerde zijn krijgers technieken om deze aanvallen te ontwijken en daarna de tegenstander uit evenwicht en ten val te brengen. Dank zij deze technieken overwon de Gele Keizer en kon hij zo het land terug tot eenheid brengen. Deze strijd tussen krijgers kon men vanaf deze periode terugvinden in de traditionele dans, de Jiao Dixi, die tijdens allerhande feesten opgevoerd werd. Hierin ligt het onstaan van de oudste vorm van de Chinese krijgskunsten, het Shuai Jiao.

Ten tijde van de Zhou dynastie werd Shuai Jiao gebruikt als training voor het leger, een functie die het doorheen zijn hele historiek zal behouden. Ook werden Shuai Jiao gevechten opgevoerd als spektakel voor de artistocratie. Sommige keizers, gepassioneerd door deze krijgskunst, namen zelfs deel aan de gevechten.

Uit de Song periode werden tal van geschriften ontdekt die melding maken van het Chinees worstelen zoals bvb 'Jiaoli Ji', het befaamde worstelboek en de op keizerlijk bevel ontwikkelde studie over het Shuai Jiao, 'Wanbao Quanshu'. Deze laatste tekst kwam ook in Japan terecht en beïnvloedde daar de ontwikkeling van het ju-jitsu.

In dezelfde periode reisde de Shuai Jiao expert, Chen Yuen Lu, naar Japan en gaf daar les aan drie leerlingen die achteraf elk hun eigen ju-jitsu school stichtten, waaronder het Kito-ryu, een van de bronnen van het moderne judo. Ook de stichter van de Yoshin-Ryu school, een japanse geneesheer, haalde zijn kennis in China. De chinese invloed op de ontwikkelingen van japanse krijgskunsten blijkt hier dus overduidelijk.

De opgelegde schoolstructuur tijdens de Qing periode zorgde voor het onstaan van tal van Shuai Jiao scholen, waarvan de grootste, de Shangpuying, deel uitmaakte van het keizerlijk hof.

Anno 2005 is Shuai Jiao in China en Taiwan een belangrijke sportieve discipline en wordt het in de rest van de wereld door tal van experts onderwezen. Zowel het martiaal aspect als het sportieve/competitieve aspect wordt verder beoefend. In Europa wordt deze eeuwenoude krijgskunst sinds 1987 verspreid door Yuan Zumou uit Parijs. Ook tal van zijn leerlingen hebben nu in verschillende landen reeds scholen opgericht.

Kenmerken van een beoefenaar

De Chinese cultuur is gekend om het veelvuldig gebruik van metaforen, en dit is bij de beschrijving van de kwaliteiten van een beoefenaar van Shuai Jiao zeker niet anders : 'ogen als bliksemschichten', 'handen als pijlen', 'heupen als een slang' en 'voeten als tollen' beschrijven de fundamentele principes van het Chinees worstelen.

'Ogen als bliksemschichten' refereert aan het typische Chinese concept 'Yi' ; het 'sturen van de gedachte(n) dmv concentratie' of 'de intentie'. De 'Yi' moet dus door de beoefenaar bliksemsnel opgeroepen kunnen worden.

'Handen als pijlen' hebben, doelt op het feilloos kunnen vastgrijpen van de tegenstander om zo onmiddellijk tot een lijf-aan-lijf gevecht te komen. De tegenstanders mag de tijd niet krijgen om zich uit de voeten te maken. Het trainingsregime bevat specifieke oefeningen, ter versterking van de bovenste ledematen. De vingers van geroutineerde worstelaars worden nogal eens vergeleken met de klauwen van een arend ; krachtig en precies.

Wellicht de moeilijkst te ontwikkelen, maar belangrijkste, kwaliteit van een Shuiai-jiao beoefenaar is 'heupen als een slang'. Hiervoor bestaan tal van basisoefeningen, de 'Jiben Gong', die beschouwd worden als het belangrijkste trainingselement. In China wordt gezegd dat er na tal van gevechtstrainingen, zonder het beoefenen van 'Jiben Gong', niets meer overblijft van het moment dat men ouder wordt.

Ten laatste benadrukt, 'voeten als tollen', de snelheid waarmee de veelvuldige, circulaire verplaatsingen van het Chinees worstelen dienen uitgevoerd te worden.